‘Een mens kan niet meer dan bidden en bibberen’

Print
‘Een mens kan niet meer dan bidden en bibberen’

COLUMN – Morgen zou ik met mijn oudste zoon naar Rome vliegen. Vader en zoon. Met elk van de twee jongere kinderen heb ik al zo’n reis gemaakt. Terug naar Rome, terug naar de eeuwige stad waar wij als gezin een aantal gelukkige jaren doorbrachten en elke dag de lange adem van de geschiedenis voelden.

Eigenlijk had ik als eerste met mijn oudste willen gaan, maar dat lukte alsmaar niet. Hij studeerde voor arts, specialiseerde zich, trouwde en kreeg vier kinderen. Dat vreet tijd. Hij had het te druk met het heden voor een bezoek aan het verleden.

Maar in augustus vorig jaar vonden we in de waanzin van de agenda’s een gaatje en boekten. Rome, maart 2020, dat stond, eindelijk. Nu kijk ik met veel plezier terug op een half jaar voorpret. Dat was het dan. Het hotel is afgezegd. Het lag vlak bij de Via dei Coronari, de straat van de rozenkransen. Hoe toepasselijk. Een mens kan in deze tijden niet veel meer dan bidden en bibberen.

Reizen hoeft voor mij niet meer. Maar Rome is iets anders. Toen we indertijd terugkwamen naar Nederland, is een deel van mij daar gebleven. Een vreemd soort heimwee heeft mij nooit meer verlaten. Geen beter decor dan Rome om eens echt bij te praten met de kinderen die thuis hijgend hun jachtige levens leven.

Mijn zoon en ik hebben nu gezworen later te gaan. We laten het hoofd niet hangen. In Rome getuigt elke steen van doorzettingsvermogen. Ik kraak en piep, maar een nieuwe reis moet lukken straks. Het Colosseum heeft ook al heel wat meegemaakt, zit vol gaten, maar staat nog altijd.