‘Ik was zo’n trut die een dag na de bevalling haar figuur weer terughad’

Print
‘Ik was zo’n trut die een dag na de bevalling haar figuur weer terughad’

Afbeelding: De Limburger

Als je op een onbewaakt moment door de ramen van ons huis tuurt, kan het zijn dat je me ziet springen. Droogschaatsen kan ook. En heb je echt geluk, dan zie je hoe ik probeer te twerken.

Deze dagen dans ik namelijk graag. Soms op Beyoncé, maar het liefst op Paul Elstak en Mental Theo. Wat er voor omstanders uitziet als een giraffe die een dressuurpaard nadoet, is voor mij een manier om mijn huilbuien te verdrijven. Want Jezus, wat heb ik last van mijn hormonen sinds ik mama ben. Stonden mijn emoties eerder keurig op alfabetische volgorde in het kastje van mijn hartkamer, nu is diezelfde kamer een mijnenveld. Zelfs de vriend lukt het nog niet om zonder lasbril de weg terug te vinden.

Dat mijn gezicht om de haverklap in een vaatdoek verandert, is niet zo gek. Het afgelopen half jaar was niet makkelijk. Een huis bouwen en zwanger-zijn is al pittig. Al helemaal als je kaakoperatie mislukt, je nog een keer wordt geopereerd en met 31 weken je vliezen breken. Zeker dat laatste hakte erin. Ik heb me heel lang schuldig gevoeld. Ik had me niet rustig gehouden, stenen gesjouwd en gerend, terwijl ik genoeg waarschuwingen had gekregen. Het was mijn schuld dat mijn zorgeloze zwangerschap abrupt beëindigd werd. En er is geen dag dat ik er niet aan denk.

Aan dat ritje in de ambulance naar het ziekenhuis in Maastricht. Aan de angst die ik voelde als ik weer een plasje vruchtwater verloor. Aan die uren aan het CTG-apparaat. Aan de paniek die bezit van me nam als het hartje van de kleine dipte. Aan de onrust toen ik meer kennis over de GBS-bacterie vergaarde. Aan het huis dat nog verhuisd moest worden. Aan het kinderkamertje dat er nog niet was. Aan de opluchting die ik voelde als de kleine weer een dag was blijven zitten. Aan de liefde die ik voelde toen ik na 33 weken een gezonde jongen in mijn armen hield.

Die gedachtes - licht en donker - eindigen vaak in ongecontroleerde huilbuien. Niet een subtiel traantje in de rechterooghoek, maar flinke uithalen met veel snot. En ik doe echt mijn best hoor, om de misère te relativeren. Ik heb toch een gezonde zoon? Het was toch goed gegaan? Ik had toch steun van een fantastische achterban? Een achterban die bovendien nog steeds gezond is, waar het coronavirus nog geen vat op heeft gekregen. Ik was zelfs zo’n trut die na 24 uur haar oude figuur weer terughad (plus een keuken met twee ovens die ik nooit tegelijkertijd ga gebruiken). En ik had nog een kaak ook. Wat lag ik nu te sakkeren? Kon ik niet gewoon wat geweest was onder het tapijt vegen, samen met het kraamverband en die ene zwangerschapsbroek?

Nee, dat gaat niet. Nog niet. Ik heb geaccepteerd dat ik soms een jankbal ben. Krijg ik zo’n huil-oprisping, dan laat ik het lopen, maar vaker nog dans ik het van me af. Gewoon in de woonkamer die 24/7 open is. Het is maar goed, dat van dat thuiswerken. Stel je voor dat niet alleen die kleine, maar ook mijn collega’s een giraffe een kuur zien doen op Wonderful Days.

Mogen we even je aandacht.
Dit is een artikel van De Limburger dat gratis beschikbaar is voor iedereen. Dat geldt niet voor alle artikelen, want zogeheten Plus-artikelen zijn exclusief voor onze abonnees. Zonder abonnees kunnen wij namelijk geen Limburgs nieuws maken. Sluit je daarom ook aan en kies voor goede en betrouwbare regionale journalistiek in Limburg, met liefde en passie gemaakt. Juist in deze onzekere tijden.

Er is al een abonnement voor 7,50 per maand.

Bekijk abonnementen