Goed nieuws: antistoffen tegen corona worden juist sterker na besmetting

Print
Goed nieuws: antistoffen tegen corona worden juist sterker na besmetting

Een medewerker van de GGD in Limburg prikt bloed bij een deelnemer om te testen op antistoffen tegen het coronavirus. Afbeelding: ANP

Bij ruim negentig procent van de mensen bij wie antistoffen zijn gevonden tegen het coronavirus, zijn ruim zes maanden later nog steeds antistoffen te vinden in hun bloed. Die antistoffen zijn ook nog eens sterker geworden.

Dat blijkt uit de zogeheten Pienter Coronastudie van het RIVM, het Rijksinstituut van Volksgezondheid en Milieu. Hiervoor werden bloedmonsters van ruim 6.500 mensen onderzocht. Bij ruim negentig procent van de mensen bij wie antistoffen tegen SARS-CoV-2 in het bloed zijn gevonden, zijn ruim zes maanden later nog steeds antistoffen in het bloed aanwezig.

Lees ook: Ruim helft Limburgse coronasterfgevallen eerste golf was in verpleeghuizen

Bloedbank Sanquin meldde eerder dat de hoeveelheid antistoffen in het bloed van met het coronavirus besmette mensen juist leek af te nemen. De meetgegevens van het RIVM leveren dus een ander, aanzienlijk positiever beeld op. Het verschil zit in het type antistof dat wordt gemeten, verklaart onderzoekster Fiona van der Klis van het RIVM. „We zien dat de antistof IgG juist sterker wordt. Dit is uiteindelijk het belangrijkste type antistof, want deze zorgt voor bescherming op de lange termijn. Deze stoffen binden zich in de loop van de tijd steeds beter aan het virus en daarom zijn minder antistoffen nodig om hetzelfde werk te doen.”

Eerste verdedigingslinie

Een ander type antistof (IgA) nam in de loop van de tijd af, zoals ook bloedbank Sanquin eerder concludeerde. Het gaat om een antistof die de eerste verdedigingslinie van het lichaam tegen corona vormt, verklaart Van der Klis. „Als eerste respons maakt het lichaam deze stof snel aan. Dat geeft het lichaam de tijd om meer maatwerk te regelen. Dan komt IgG op, dat voor de bescherming op lange termijn zorgt, en verdwijnt het andere stofje (IgA).”

Door het meten van antistoffen in het bloed onderzoekt het RIVM hoeveel mensen uit de bevolking in aanraking zijn geweest met het virus, want de meeste mensen die met het virus te maken krijgen, maken antistoffen aan. Het onderzoek wordt gedaan bij mensen van verschillende leeftijden en in verschillende gemeenten, verspreid over Nederland.

De eerste ronde van de studie was in april en mei, toen er ruim 3.200 bloedmonsters werden onderzocht. In de tweede ronde, in juni en juli waren dat ruim 7.300 monsters. Tijdens de eerste onderzoeksronde bleek dat ongeveer drie procent antistoffen had aangemaakt tegen corona. In de tweede ronde steeg dit naar 4,5 procent. De bloedmetingen dateren van eind september en begin oktober. De besmettingen van de tweede coronagolf in het najaar zijn dus nog niet in de cijfers te zijn. Het percentage van de bevolking met antistoffen zal dus inmiddels alweer een stukje hoger liggen, verwacht het RIVM.

Jongvolwassenen, tussen de 20 en 35 jaar, hadden verreweg het vaakst antistoffen: in het voorjaar zo’n vier tot vijf procent in die leeftijdscategorie, in de zomer steeg dit percentage tot ongeveer tien procent .

Tussen mannen en vrouwen en mensen van verschillende etnische komaf zijn in de cijfers tot begin oktober geen verschillen te zien.

Bloedbank

Een maand geleden meldde bloedbank Sanquin al dat naar schatting 6,2 procent van de Nederlanders antistoffen ontwikkeld tegen het coronavirus. Dat was een lichte stijging ten opzichte van mei, toen het nog op 5,4 procent stond. Bij 18- tot 40-jarigen uit grote steden was eind oktober naar schatting 11 procent immuun voor het coronavirus.

Uit de gegevens van bloeddonoren bleek toen ook dat de verschillen binnen Nederland kleiner worden. Waar eerst in Noord-Nederland mensen amper immuniteit hadden opgebouwd was dat percentage eind oktober gestegen tot 3,9 procent. In Noord-Brabant en Limburg zakte het percentage met antistoffen juist, van zo’n 10 procent naar 8,5 procent.