Cadier en Keer rond 1850: met de hondenkar naar de markt in Maastricht

Print
Cadier en Keer rond 1850: met de hondenkar naar de markt in Maastricht

Onderweg met de hondenkar. Afbeelding: Historische Kring Cadier en Keer

Cadier en Keer -

Het leven in Cadier en Keer zag er anderhalve eeuw geleden heel anders uit.

Cadier en Keer was rond 1850 een klein boerendorp. Van de 141 huishoudens was de helft eigenaar of pachter van een boerderij. De meeste boerderijen hadden slechts een paar hectare grond. Meer dan de helft van de landbouwgrond was in bezit van mensen van buiten Cadier en Keer. De drie grote pachthoeven hadden tezamen alleen al 170 hectare grond in gebruik, waarvan Groot Blankenberg met 76 hectare, in bezit van de Luikse baron Chestret de Haneffe, de grootste was. Naast deze drie was er een aantal wat grotere boerderijen, die in bezit waren van Maastrichtse kooplieden.

De dagloners die bij de grotere boeren werkten, trokken van boer naar boer en werden alleen betaald voor de dagen dat ze werk hadden. De grotere boeren hadden een schaapskudde die mest leverde voor de bemesting van hun land en wol voor de verkoop. In 1860 waren er 15 houders van schaapskuddes met meer dan 750 schapen. Verder werden er hoenders (kippen), koeien en varkens gehouden. In vrijwel elk gezin werd elk jaar minstens een varken vetgemest voor de slacht.

De kleine boeren die geen paard hadden, gebruikten koeien of een trekos om het land te bewerken. Voor het vervoer naar de markt in Maastricht of Gulpen gebruikte men de kruukar (kruiwagen), de hondenkar of de handkar.

Functies bij de gemeente

Er was in die tijd een openbare lagere school met timmerman Egidius Vliegen als (de enige) onderwijzer. Voordat hij tot onderwijzer werd benoemd was hij eerst een aantal jaren burgemeester en daarna gemeentesecretaris.

Behalve een veldwachter was er ook nog een klepperman die ‘s nachts door het dorp liep met een klepper. Hij moest waarschuwen wanneer er ergens brand was of wanneer zich dieven in het dorp ophielden. Ook klopte hij ’s nachts op bepaalde plaatsen enkele malen aan om te zeggen hoe laat het was.

De straten

Alleen de Rijksweg, die in 1825 was aangelegd, had in het middengedeelte een verhard wegdek van keien. De straten binnen het dorp waren niet verhard. Langs die straten waren meer dan twintig (waterpoelen) die als drinkwater voor het vee werden gebruikt en als bluswater bij een brand. Voor hun drinkwater waren de inwoners aangewezen op een van de drie putten in het dorp.

Woonhuis

Van het woonhuis werd alleen de keuken gebruikt om te wonen. Het was ook de enige ruimte die werd verwarmd. Voor de verlichting in de keuken gebruikte men nog kaarsen. Naast de keuken was er de goojkamer die alleen werd gebruikt op feestdagen. Men sliep in een opkamertje bij de keuken. Daar was de bèddekoetsj (alkoof), die zo klein was dat men er halfzittend in moest slapen.

Het toilet (’t húiske) lag buiten achter de woning. Daarin stond een houten bak met aan de bovenkant een uitgezaagde ronde opening om op te zitten. Als toiletpapier werden, in kleine vierkante stukken gescheurde, oude kranten gebruikt.

De kinderen werden een keer per week in een tijn (teil) met warm water gewassen. Alle kinderen in hetzelfde water; eerst de meisjes, omdat die het minst vuil waren. Vervolgens werd met het vuile zeepsop de keukenvloer en de stoep geschrobd.

Voor meer informatie over de geschiedenis van Cadier, Keer, Honthem, ’t Rooth en Sint-Antoniusbank zie www.historischekringcadierenkeer.nl

Meer lezen?

Nieuwe actie: Één jaar toegang tot alle Plus-artikelen voor slechts 1,04 per week. Daarmee lees je dagelijks meer dan 100 nieuwe Plus-artikelen op onze site & app. Of kies voor een van onze andere abonnementen.

Ik word digitaal abonnee