Literaire Hoek: Het ‘Limburg, dierbaar oord’ van Bertus Aafjes

Bertus Aafjes. © Redactiearchief De Limburger

Swolgen -

In de Literaire Hoek besteden verschillende Limburgse auteurs, verenigd in de Werkgroep Limburgse Schrijvers, wekelijks aandacht aan lezen en literatuur in Limburg. Deze week Peter Lenssen over Bertus Aafjes.

Peter Lenssen

Een ras-Amsterdammer die een beroemde Limburgse schrijver werd. Zo kun je Bertus Aafjes, geboren in 1914, toch wel zien. Lange tijd leefde hij als dichter-kasteelheer op kasteel Hoensbroek, daarna, tot aan zijn dood in 1993, als ‘heremiet’ zoals hij het zelf noemde, in het dorp Swolgen in Noord-Limburg.

Op zijn 22ste verliet hij het seminarie en begon aan een voet-/treinreis naar Rome, waarover hij later een beroemd geworden dichtbundel schreef. Tijdens die tocht kwam hij voor het eerst in Limburg terecht, een provincie die hem nooit meer zou loslaten. Vanaf begin jaren vijftig tot aan zijn dood woonde hij er vrijwel permanent.

Liefde

Aafjes adoreerde Limburg. Het landschap kwam voor hem overeen met het aardse paradijs. Glooiende heuvels, panorama’s, grotten, ‘huppelende’ beken. Limburg was niet horizontaal, zoals Holland, maar verticaal. Aafjes: ‘Het neemt overal een aanloop naar de hemel. Niet alleen geologisch. Maar ook in ons hart.’

‘Hoor de indianenkreet die aan de mond van de eenvoudige noorderling ontsnapt bij het zien van de eerste heuvel. Zie het gebaar waarmee hij zijn hoed in de hemel werpt. Kijk hoe hij kopje-duikelt. Hoe hij op zijn handen staat. Welk een zot, denkt gij, Limburger. Daar is hij weer zo’n Hollander die volslagen dada wordt bij het zien van heuvels.’

Ontelbare gedichten en verhalen volgden, niet alleen over dorpen en steden, prachtige oude fruitbomen en wilde bloemen in korenvelden, maar ook over de Miljoenenlijn en de verzonken kathedraal van steenkolenmijnen.

Limburgs adeldom

Aafjes omschrijft Limburg met zijn Franse, Vlaamse en Rijnlandse trekjes als ‘vrolijke uitschieter naar de Middellandse Zee’, houdt een lofzang op de rijke folklore, het volksfeest van schutterijen en, natuurlijk, het Carnaval. ‘Maastricht ligt dichter bij Parijs en Rome,’ merkt hij op, ‘dan bij Den Haag of Rotterdam, niet topografisch, maar ideologisch, in het rijk van geest en verbeelding, dat zoveel werkelijker is dan het rijk van maten en meters.’

En vervolgens benadrukt hij het ‘historische adeldom van Limburg’. Toen men in de andere provincies nog rondliep in beestenvellen en vrouw en kinderen verdobbelde, was men in Limburg reeds beschaafd. Men baadde zich in thermen en landbezitters woonden in villa’s met centrale verwarming.

Over Bertus Aafjes is uiteraard veel meer te vertellen dan deze plek toelaat. Over zijn drankprobleem en de depressies waaraan hij leed, over zijn vriendschappen met schrijvers als Ton van Reen, Herman Pieter de Boer en Hermine de Graaf, zijn reislust, geldnood, of zijn desastreuze polemiek met de Vijftigers. Iets waar hij trouwens later veel spijt van had. Wie er meer van wil weten: lees de onthullende biografie van Maastrichtenaar Rob Molin.

Gulden humor

Veelschrijver Bertus Aafjes en zijn vrouw Tine werden begraven in Swolgen. Tine wilde een Sint Franciscusbeeldje op haar graf en een voedertafeltje voor de vogels. Hijzelf hechtte slechts aan één ding: dat hij de Orde van de Gulden Humor, door de gemeenschappelijke Limburgse Carnavalsverenigingen aan hem toegekend, mocht meenemen. Helaas, onmogelijk. Ach, schreef hij, refererend aan een plaatselijke wijsheid: in je laatste hemd zitten nu eenmaal geen zakken.

Op hun grafsteen staat een gedicht. Je kunt het vinden als je googelt op ‘grafmonument Bertus Aafjes’. De laatste regels luiden: ‘En de dichter in mij stierf bereid. Ik werd enkel poëzie, altijd.’

Wil je alle Plus-artikelen lezen?

Dagelijks publiceren we meer dan 100 Plus-artikelen op onze site & app. Nieuws, achtergronden, analyses, reportages, interviews en columns. Word nu digitaal abonnee en kies voor een jaar lang korting of maandelijkse flexibiliteit.

Kies digitaal